|
Beste Oldieliefhebbers,
Bob Scholte : Deel 2
In 1939 besloot Scholte zijn werkzaamheden voor de AVRO te minderen om in te kunnen gaan op de vele aanbiedingen die hem uit België bereikten. Bij de vele Vlamingen die naar de Nederlandse radio luisterden, was hij minstens even populair als in eigen land. Men waardeerde hem hier mede vanwege zijn onberispelijke uitspraak van het Nederlands, die voor velen een lichtend voorbeeld vormde. Steeds vaker trad Scholte nu op in Vlaanderen, hoewel hij met zijn gezin in Hilversum bleef wonen, waar hij zich in 1933 - met het oog op het radiowerk - had gevestigd. Toen de Duitsers in mei 1940, tegelijk met Nederland, ook België binnenvielen, kwam aan deze werkzaamheden een einde. Op de fiets keerde hij vanuit Antwerpen, waar hij toen optrad, terug naar Hilversum. De eerste maanden van de bezetting werd Scholte nog min of meer ongemoeid gelaten bij zijn optredens, maar in februari 1941 sloeg het noodlot toe. Terwijl hij thuis zijn 39ste verjaardag vierde, werd in Amsterdam zijn zoon Ab opgepakt. Later dat jaar kwam het bericht dat de jongen - die tot de beste tafeltennissers van het land behoorde - in oktober 1941 in het concentratiekamp Mauthausen om het leven was gekomen. Kort daarna viel ook dochter Greetje in Duitse handen. Zij werd eind september 1942 in het vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau vermoord. Zelf waren Bob en Martha Scholte inmiddels ondergedoken. Eerst in Tilburg, maar daar moesten ze weg toen een kind van het gastgezin vol trots aan een vriendje vertelde dat de grote Bob Scholte bij hem thuis was ondergedoken. Vervolgens hielden zij zich schuil in Amsterdam, waar zij in 1943 uiteindelijk toch het slachtoffer van de jodenvervolgingen werden. Wanneer dit precies gebeurde, is niet meer te achterhalen. Wel staat vast dat Scholte zijn vrouw sinds die dag niet meer heeft gezien. Scholte werd aanvankelijk opgesloten in het concentratiekamp Vught, waar hij dwangarbeid verrichtte voor de NV Philips' Gloeilampen- fabrieken. 's Avonds, bij het eten in de barak, vermaakte de zanger zijn medegevangenen met liedjes en moppen. Daarmee voerde hij de gedachten van zijn publiek 'uit een dampkring van drukkende zorgen, angst en verdriet, door en over het prikkeldraad naar ons heerlijke Mokum' (Furth). Via vier andere kampen belandde Scholte uiteindelijk in Auschwitz-Birkenau, waar hij werd geslagen en onder dwang voor de kampleiding moest zingen. Veel meer heeft hij er nooit over willen vertellen. Na de bevrijding van het kamp, begin mei 1945, lukte het hem per trein terug naar Nederland te komen. Tijdens die terugreis kreeg hij te horen dat zijn vrouw Martha in april 1945 in het Kommando Lustigslust in Mecklenburg om het leven was gekomen. Na een kort verblijf in Hilversum vestigde Scholte zich in 1946 in Amsterdam. Hij vond er opnieuw onderdak in het huis waar Martha en hij tijdens de bezetting als onderduikers woonden. De vrouw des huizes, Corry van Asperen, was inmiddels weduwe en zocht een vader voor haar enig kind. Scholte trad in 1950 met haar in het huwelijk, naar eigen zeggen niet alleen 'vanwege het burgerfatsoen', maar vooral omdat hij het als een dure plicht ervoer 'die vrouw die zo goed voor ons gezorgd had toen we ondergedoken waren te helpen' (Poelman, 12). Hoewel hij al op 30 juni 1945 zijn comeback maakte in het variété-
programma met Heintje Davids, voelde Scholte zich toch niet meer thuis in
Amsterdam. 'Ik had er te veel herinneringen aan mijn vrouw en mijn
kinderen', zei hij (Verhoye). Toen er een uitnodiging kwam om in Vlaanderen
op te treden, besloot hij daar voortaan te blijven werken. In oktober 1950
vestigde hij zich met zijn tweede vrouw en haar kind in Borgerhout bij
Antwerpen, de stad die hij als jongen al had leren kennen. 'Ik heb er geen
spijt van gehad, ik heb veel succes gehad in België', verklaarde hij (Dull).
Hij werkte er voor de radio, organiseerde populaire muziekavonden in de
grote theaters en maakte weer veel platen. Ook nadat Scholte - ondanks alles
door heimwee gedreven - in 1958 weer in Amsterdam was gaan wonen, bleef
België een belangrijk werkterrein voor hem. oewel zijn vrolijke Nederlandse meezingliedjes aan het einde van de jaren vijftig allengs uit de mode raakten, vond Scholte nog steeds veel gehoor, al werd zijn publiek langzaam maar zeker ouder. Zijn emplooi zoekend in de nostalgische hoek had en hield Scholte een scherp oog voor de commerciële kant van zijn vak. Hij zong wat het publiek graag van hem wilde horen, ook als die liedjes nauwelijks strookten met zijn eigen neiging tot zwaarmoedigheid. Steeds stond hem voor ogen dat hij werd betaald om het publiek te vermaken, en die taak vatte hij heel ernstig op. Niet gespeend van ijdelheid liet hij zich in deze nadagen van zijn carrière af en toe graag grootscheeps huldigen. Na de dood van zijn tweede vrouw, in 1975, viel het Scholte echter steeds zwaarder om zijn zorgeloze liedjes te blijven zingen. Ondanks de vriendinnen en buurvrouwen die hem gezelschap hielden en huishoudelijke taken verrichtten, voelde hij zich eenzaam. En rijk was hij van zijn successen niet geworden. Scholte had steeds behoorlijk de kost verdiend, maar voor de tekstdichters en componisten van zijn repertoire bleef de kassa langer rinkelen dan voor hem. Hij raakte depressief, en ook de herinneringen aan de bezettings- en kamptijd, die hij zo lang had verdrongen, kwamen steeds vaker terug. ovendien kon hij, nu hij een eindweegs in de zeventig was, nauwelijks nog concurreren met zijn jongere collega's. 'Weet u wat ik zelf nu, achteraf, misschien nog wel het liefste doe?' zei hij. 'Joodse liederen zingen, op joodse feesten en plechtigheden, met het keppeltje op' (Dull). Bij zijn overlijden op ruim 81-jarige leeftijd was Bob Scholte voor het
grote publiek een vrijwel vergeten artiest. Dat gold niet voor de zeer vele
collega's, vrienden, kennissen en vertegenwoordigers van de joodse
gemeenschap die hem bij zijn begrafenis de laatste eer bewezen. Scholte werd
er geprezen als een zanger die zijn vak met grote toewijding uitoefende en
als een man die zelfs onder de allermoeilijkste omstandigheden vreugde had
gebracht in de harten van zijn toehoorders. De stoet verliet de aula onder
de tonen van 'Goedenacht en welterusten'. Die woorden - 'zijn' woorden -
werden ook aangebracht op zijn graf.
|