Beste Oldieliefhebbers,

31/05/2009. Voorlopig geen verzoekjes of updates wegens verbouwingen. We zullen daardoor ook regelmatig van het net zijn afgesloten. Dank voor je begrip.

Betty die graag Nederlandse liedjes hoort is steeds een fan geweest van de reeks 'De Kleine Waarheid' naar een trilogie van Jan Mens in de jaren 1960. Het verhaal geeft een beeld van de Amsterdammer aan het begin van de Eerste Wereldoorlog tot het einde van de Tweede Wereldoorlog. Ze vond voor deze tijd van het jaar het liedje 'De Iepen Op De Grachten' heel toepasselijk. Ik koppelde er meteen ook de begin-tune aan uit de reeks.

Ik wens jullie nog veel luistergenot toe.

Guy Mitchell - 1927-1999

Al Cernick werd in 1927 in Detroit, Michigan geboren. Op jonge leeftijd werd spoedig duidelijk dat hij een opmerkelijk talent had voor muziek, vooral als vocalist. Dit talent was er de oorzaak van dat Warner Brothers Pictures Al Cernick al jong als veelbelovende muzikaal talent onder contract nam. In het begin van de jaren veertig was hij al zo nu en dan zingend via de radio te horen in Los Angeles; hierna verhuisde het gezin naar San Francisco. Behalve dat hij in zijn schoolband zong, trad hij in die stad ook op als countryzanger. Na zijn diensttijd van twee jaar tekende hij als vocalist bij het orkest van Carmen Cavallaro – hij maakte toen ook enkele platen voor Decca. De eerste hiervan kwam in begin 1948 uit. Hij is te horen in de liedjes “Dream Girl” en “Encore Cherie” op Decca 24330. Drie maanden laten kwam “Evelyn” uit op #24410. Eind augustus was hij te horen in “I Go In When The Moon Comes Out” en “Ah, But It Happens” op Decca 24488. Geen van deze opnamen waren succesvol en halverwege het jaar was zijn samenwerking met Cavallaro afgelopen. In 1949 nam Cernick twee liedjes op voor MGM met The Buddy Kay Quintet en The Tune Timers – “Don’t Tell My Heart” op #10387, en “Love Nest” op #10443. Datzelfde jaar kreeg hij de mogelijkheid op te treden in “Arthur Godfrey’s Talent Scouts” programma - een populaire talentenjacht; Al greep deze kans met beide handen aan en zijn optreden was een groot succes.

In de loop van 1949 nam Al Cernick onder de artiestennaam Al Grant enkele platen op voor King Records, een bedrijf dat gevestigd was in Cincinnati, Ohio. Met Dewey Bergman nam hij “Cabaret” op (#15004) en “This Day Is Mine” op #15005. In september 1949 kwam “A Frame Without A Picture” uit en “I Thought I Was Dreaming”, opgenomen met Rufe Smith op #15016. Aan het eind van het jaar werd “Goodbye My Love” opgenomen op #15019 “featuring Al Grant with The Satisfiers Foursome and Rufe Smith”. De laatste plaat voor King Records kwam uit in juni 1950. Het was “Forget Me Not” op #15045 met Dewey Bergman. Op 1 april 1950 tekende “Al Grant, aka Al Cernick” (aka = also known as) voor Columbia Records. De A&R-man (A&R = artiesten & repertoire) van Columbia was de in die tijd belangrijkste platenproducer Mitch Miller, die sinds hij was overgekomen van Mercury Records net als Midas in de oudheid alles wat hij aanraakte in goud veranderde (hij had ook Frankie Laine met zich meegebracht naar Columbia). Zijn eerste zakelijke prioriteit was het omvormen van Al Cernick (Grant) tot een nieuwe persoonlijkheid met een aansprekende nieuwe naam: Cernick werd Guy Mitchell.

Er volgde een aantal opnamesessies met Columbia-topman Percy Faith, arrangeur en orkestleider. Deze studio-opnamen resulteerden in vijf platen die (zonder veel succes) in de loop van 1950 voor Columbia uitgebracht werden. Het waren “Where In The World” / “Giddy-Yap” op #38822; “Me And My Imagination” / “To Me You’re A Song” op #38872; “You’re Not In My Arms Tonight” / “Angels Cry” op #38931; “Marrying For Love” / “You’re Just In Love” de laatste twee nummers (op Columbia #39052) waren duetten met Rosemary Clooney; de liedjes waren afkomstig van de musical “Call Me Madam”. De laatste plaat was “The Place Where I Worship” / “The House Of Singing Bamboo” (uit de film “Pagan Love Song”) op #39054, weer duetten met Rosemary Clooney. Tegen het eind van het jaar ging Mitch Miller er zich zelf meer mee bemoeien en verzorgde het arrangement en de orkestleiding tijdens de volgende opnamesessie. Het resultaat was “My Heart Cries For You” en “The Roving Kind” op #39067. Guy Mitchell’s dagen als onbekende platenartiest waren nu voorgoed voorbij.

Mitch Miller had een goed oor voor aansprekende liedjes, haalde ze overal vandaan en speelde het klaar ze om te vormen tot succesnummers. “My Heart Cries For You” is een goed voorbeeld: het nummer werd gedeeltelijk geschreven door Percy Faith en was gebaseerd op een lied dat volgens de overlevering in de achttiende eeuw gecomponeerd was door de Franse koningin Marie Antoinette. “The Roving Kind” was een traditioneel Engels zeemansliedje (bekend als “The Pirate Ship”) dat vaak werd gezongen door Pete Seegers en The Weavers. Beide plaatkanten sloegen enorm aan; de plaat was niet aan te slepen en maakte van Guy Mitchell een nieuwe topzanger. Er was iets buitengewoons aan de hand: er werden meer dan een miljoen exemplaren van verkocht, en Mitchell kreeg twee gouden platen: voor elke plaatkant één. Gedurende meer dan vijf maanden werden beide kanten van de plaat constant op de radio gespeeld en het verkoopsucces bleef maar aanhouden. De jonge zanger uit Detroit, een zoon van Joegoslavische immigranten had het eindelijk gemaakt.

In begin 1951 gebeurde er nog iets vreemds. Er was zo veel vraag naar de nieuwe plaat, dat er een verkoopgolf ontstond voor zijn vorige Columbia-opname. Zijn duet met Rosemary Clooney (“You’re Just In Love”) kwam terug en bereikte zowaar de top-25 van de hitparade en bleef daar enkele weken staan. Guy Mitchell had even tijd om te genieten van zijn populariteit en sloeg daarna toe met zijn nieuwe opname voor Columbia. “Sparrow In The Treetop” / “Christopher Columbus” (#39190) kwam in maart op de markt en steeg onmiddellijk op de bestsellerlijsten. Opnieuw was het een dubbelklapper, hoewel het succes iets minder was dan bij zijn vorige plaat. “Sparrow” bereikte de top-10 en bleef vier maanden op de hitparade, terwijl de “B-kant” het tot nummer 27 bracht en ook vrij goed verkocht. Zo gebeurde het dat in begin 1951 Guy Mitchell een tijdje met vijf nummers voorkwam op de bestsellerlijsten. Geen slecht resultaat voor iemand die gedurende meer dan vijf jaar enkele kansen had gemist en geen echte ster was geworden. Het tij was gekeerd en Guy Michell was nu echt doorgebroken.

In het voorjaar van 1951 bleven de hits komen. “Unless”, dat op #39331 werd uitgebracht met “A Beggar In Love” op de B-kant, was een grote hit voor Mitchell, bereikte de top-20 en bleef drie maanden lang op de bestsellerlijsten. Eind mei werd “My Truly Truly Fair” / “Who Knows Love” op Columbia #39415 uitgebracht. “Truly” was weer een superhit voor Mitchell en bleef vijf maanden lang op de hitlijsten (het was de derde keer dat jaar dat er meer dan een miljoen platen van hem werden verkocht). Het hield niet op: “Belle Belle, My Liberty Bell” / “Sweetheart Of Yesterday” op #39512 was weer een wereldsucces. “Belle” bereikte de top-10 en bleef drie maanden op de hitlijsten. “Sweetheart” was ook korte tijd op de hitparade te vinden, waardoor deze plaat weer een dubbelzijdige hit was. Guy besloot dit fantastische jaar op dezelfde manier op #39595: “There’s Always Room At Our House” en zijn versie van “I Can’t Help It”, een country-hit van Hank Williams. Hoewel deze plaat iets minder verkocht, bereikten beide plaatkanten de top-30. 1951 was een jaar dat Guy Mitchell de hitlijsten domineerde: elf nummers op de lijsten, vijf in de top-10 en drie platen waarvan er meer dan een miljoen van waren verkocht. Het was een heel speciaal jaar in de Amerikaanse popmuziek.

1952 begon zoals 1951 eindigde: “Pittsburgh, Pennsylvania” en “Day Of Jubilo” kwamen uit op Columbia #39753 en volgden snel zijn andere platen op de hitparade. Het waren opnieuw opnamen met het koor en orkest van Mitch Miller. Van “Pittsburgh” werden er weer meer dan een miljoen verkocht. Meer dan vijf maanden bleef het nummer op de hitparade. “Jubilo” kwam ook in de top-25, zodat dit de vijfde keer was dat Guy met beide kanten van een plaat op de hitparade kwam. Met een vierde gouden plaat in zijn bezit kwam in de zomer van 1952 op #39822 een nogal vreemd liedje uit: “Feet Up (Pat Him On The Po Po)”. Vreemd of niet, het nummer kwam in de top-15. Later dat jaar bereikte een duet met Mindy Carson (“Cause I Love You, That’s A-Why”) op #39879 korte tijd de hitlijsten.

Begin 1953 kwam “She Wears Red Feathers”, een nummer dat de zomer ervoor opgenomen was op #39909, gedurende een maand op de hitparade. Het was een matig succes, gezien zijn reputatie. Guy Mitchell is nu te vinden in de filmstudio’s van Hollywood: hij heeft een rol in de film “Those Redheads From Seattle” met popzangeres Teresa Brewer, en het liedje “Chicka Boom” met Mitch Miller is het gevolg. “Tell Us Where The Good Times Are”, een duet met Mindy Carson op #339992, bereikte in de zomer van 1953 de top-25. Eind 1953 werd het opnametempo van Guy Mitchell iets minder. Er volgden nog enkele duetten met Mindy Carson, het Norman Luboff Choir en de orkesten van Jimmy Carroll en Norman Leyden. Begin 1954 was Mitchell weer op locatie, ditmaal voor de film “Red Garters” voor Paramount Studios. Guy nam (met Mitch Miller) vier nummers op uit deze film: “Ladykiller”, “Man And Woman”, “A Dime And A Dollar”, en “Meet A Happy Guy”.

Halverwege de jaren vijftig, toen de rock ‘n’ roll de wereld van de popmuziek op zijn kop zette, bleef Guy Mitchell platen maken voor Columbia met de orkesten van Ray Ellis, Jimmy Carroll, en Ray Conniff. Al bijna drie jaar had Guy Mitchell geen echte hit gehad en waarschijnlijk dacht men dat ook hij een slachtoffer was geworden van de teenage-rock explosie. Maar dit pakte heel anders uit. Als hint voor wat nog zou komen maakt Michell in het begin van 1956 een come-back op de hitlijsten met het nummer “Ninety Nine Years (Dead Or Alive) op #40631, dat de top-25 barrière doorbreekt en daar een maandlang blijft. In september 1956 was Guy in de studio’s van Columbia in New York met het orkest van Ray Conniff: het resultaat was een vlot liedje genaamd “Singing The Blues” gekoppeld aan “Crazy With Love”.

Het nummer “Singing The Blues” was een fenomenaal succes. Het was de zeldzaamheid, dat een liedje zowel op de poplijsten stond als op de country- en de R&B-lijsten. Het bewees dat Elvis Presley niet de enige was die dit presteerde. Het lijkt ongelofelijk, maar het nummer bleef wel 10 weken achtereen op nummer één! Pas na meer dan vijf maanden verdween het uit de hitlijsten. Er werden er vele miljoenen van verkocht, wereldwijd 12 miljoen of meer.
Het was zeker één van de best verkopende platen ooit. Een perfecte follow-up in begin 1957 van “Knee Deep In The Blues” op #40820. Het was een top-20 hit, was twee maanden op de hitlijsten en je zou kunnen zeggen dat Guy Mitchell weer terug was van weggeweest. Hij begon met platenopnamen, speelde in films en nu lag een toekomst op de televisie in het verschiet. Hij kreeg een TV-show van dertig minuten voor de NBC, de “Guy Mitchell Show”, met de Guy Mitchell Singers, de Ted Cappy Dancers, en het orkest van Van Alexander. Guy bleef bij de tijd met zijn volgende opname voor Columbia, genaamd “Rock-A-Billy” op #40877. Deze plaat, ditmaal opgenomen met Jimmy Carroll, overtrof de voorafgaande, was een top-10 hit en was drie maanden op de hitlijsten te vinden. 1957 was echt een comeback-jaar voor Guy Mitchell als topartiest.

Toen in 1958 de looptijd van de televisieshow voorbij was, was Guy Michell nog maar 31 jaar oud maar had hij al een carrière van tien jaar als topvocalist achter de rug. Hij bleef platen maken met Carroll, Conniff, Glen Osser, en Richard Hayman, maar echt succes bleef uit. Een interessante opnamekant was “Alias Jesse James” uit de film van die naam, opgenomen met het orkest van Frank DeVol. Eind augustus 1959 was hij weer in de opnamestudio te vinden, ditmaal met het koor en orkest van Joe Sherman. Guy nam op Columbia #41476 “Heartaches By The Number” op, een liedje dat een hit was geweest voor countryzanger Ray Price. Het was een waardig slot van het decennium voor Mitchell: zijn zesde gouden plaat, en vier en een halve maand op de bestsellerlijsten.

In het begin van de jaren zestig bleef Guy Mitchell platen maken voor Columbia, maar zijn tijd als tophitzanger leek voorbij. Hij nam enkele nummers op met het orkest van Monty Kelly (bekend van één van de meest intrigerende platenkanten van de jaren vijftig: “Tropicana” en “Life In New York” voor het platenmerk Essex uit Philadelphia), zoals twee liedjes uit Disneyfilms: “Fun And Fancy Free” en “Zip-A-Dee Doo Dah”, “Riding Around In The Rain” en “Meet The Sun Half Way”. Hij maakte ook platen in Nashville met sessie-veteranen als saxist Boots Randolph, bassist Junior Huskey, en gitarist Pete Drake. Gedurende deze tijd versterkte hij zijn country-imago door een aantal LP’s op te nemen voor het Starday-label uit Nashville. Hij was ook regelmatig te zien in de TV-serie “Whispering Smith” en trad op in de speelfilm “The Wild Westerners”. Aan het eind van de jaren zestig trok hij zich terug als zanger en bleef op zijn ranch meer dan tien jaar uit de bekendheid.

In het begin van de jaren tachtig trad Guy Mitchell op in een televisie-special die was gewijd aan het leven en de carrière van Mitch Miller, die man die zo veel voor hem had betekend. Hij bleek nog niet vergeten te zijn en hij besloot weer te gaan optreden als zanger; hij maakte een succesvolle tournee door West Europa. Tot in de jaren negentig reisde hij naar Australië, Nieuw Zeeland, Engeland en Ierland. Hij verzorgde ook verschillende optredens in de Verenigde Staten. Hij was een veel gevraagde zanger in hotels en casino’s in Las Vegas. Het was hier dat Guy overleed in juli 1999 op de leeftijd van 72 jaar, waarmee het eind kwam aan een zeer opmerkelijke zangcarrière.

Guy Mitchell had een verbazingwekkende reeks van successen gedurende de vijftiger jaren. Hij was één van de top-baritons in wat de Amerikanen de Interlude Era noemen: de periode tussen de beroemde grote swingorkesten en de latere rockbands. Hij had het talent en de flair om het aanstormend geweld van de rock ‘n’ roll te breken en juist tussen 1955 en 1960 twee van zijn allergrootste successen te boeken. Dat hij zich kon aanpassen aan de nieuwe rock-markt was een prestatie die niet veel van zijn collega’s hem nadeden. Hij bleef één van de beste en één van de grootste. Overal waar de “sound” van het begin en het midden van de vijftiger jaren naar voren komt, zal men de stem van Guy Mitchell horen: hij zal in de herinnering blijven als één van de meest unieke en alom gewaardeerde vertegenwoordigers van de populaire zangkunst.

Met dank aan Pleun Post voor de vertaling.